Overgangsrecht

Voor mensen met een AWBZ-indicatie die doorloopt in 2015, geldt een overgangsrecht. Verzekerden met een AWBZ-indicatie voor verblijf in de vorm van een zorgzwaartepakket (ZZP) op 31 december 2014 kunnen recht hebben op Wlz-zorg. Er zijn verschillende groepen te onderscheiden.

Verzekerden met een AWBZ-indicatie in functies en klassen hebben in beginsel geen aanspraak op Wlz-zorg, tenzij zij tot de groep verzekerden behoren van wie nog niet duidelijk is of zij recht hebben op Wlz-zorg. Dit zijn de Wlz-indiceerbaren en de andere aangewezen bijzondere groepen.

Verzekerden met een AWBZ-indicatie in functies en klassen op 31 december 2014 behouden in beginsel in 2015 hun recht op zorg tot uiterlijk 1 januari 2016 of eerder, als de geldigheidsduur van de indicatie eindigt in 2015. De gemeente kan met ingang van 1 januari 2015 verantwoordelijk zijn op grond van het overgangsrecht in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de Jeugdwet. De Zorgverzekeringswet (Zvw) kan ook van toepassing zijn.

Behandeling en kortdurend verblijf zijn niet meer als zelfstandige aanspraak mogelijk op grond van de Wlz. Hiervoor zijn subsidieregelingen van toepassing met ingang van 1 januari 2015, waarin overgangsrecht is opgenomen.

De gemeente is verantwoordelijk voor de zorg, die is overgeheveld vanuit de AWBZ naar de (Wmo 2015), en de Jeugdwet. In de Zvw is geen overgangsrecht opgenomen. Er zijn wel afspraken gemaakt met verzekeraars over het eerbiedigen van AWBZ-indicaties ten behoeve van continuïteit van zorg met ingang van 1 januari 2015. Als AWBZ-zorg met ingang van 1 januari 2015 onder de Zvw valt, hebben verzekerden recht op zorg op grond van hun polis. De verzekeraar is verantwoordelijk.