Beschrijving van financiële kengetallen van zorginstellingen over het jaar 2024, waarmee het mogelijk is individuele zorginstellingen te benchmarken. 

1 Samenvatting

In dit rapport zijn zorginstellingen op basis van de waarden van een groot aantal financiële kengetallen over het jaar 2024 ingedeeld in tien gelijke groepen of decielen. Door vergelijking van de waarden van een individuele zorginstelling met de grenswaarden behorende bij deze decielen, kan de financiële positie van deze instelling afgezet worden tegen die van een groep van vergelijkbare instellingen (benchmark). Tevens is een analyse gemaakt van de ontwikkeling van de kengetallen resultaat gewone bedrijfsvoering, het weerstandsvermogen, de solvabiliteit, de current ratio en de omloopsnelheid kapitaal over de jaren 2020 tot en met 2024. Ook is over deze periode de ontwikkeling van de kosten per arbeidsjaar van zorginstellingen in de care-sector berekend.

Het (ongewogen) gemiddeld resultaat uit gewone bedrijfsvoering is in 2024 het laagst bij de cure-instellingen. Het hoogste resultaat uit gewone bedrijfsvoering is zichtbaar bij de gehandicaptenzorg.  Bovendien is de spreiding bij de algemene ziekenhuizen in winstpercentage tussen de afzonderlijke instellingen veel kleiner dan bij care-instellingen. De grootste spreiding is zichtbaar bij de gehandicaptenzorginstellingen, gevolgd door de thuiszorginstellingen. 

Het (ongewogen) gemiddelde weerstandsvermogen van zorginstellingen neemt iets af ten opzichte van 2023, terwijl de gemiddelde solvabiliteit toeneemt.  

Alle sectoren hebben een current ratio van ruim boven de 100 procent, waarmee zij in staat zijn om de kortlopende verplichtingen te betalen. De instellingen in de care-sector hebben gemiddeld een hogere current ratio dan de instellingen in de cure-sector. Dit geldt ook voor de omloopsnelheid kapitaal.

In alle sectoren nemen de mediane bedrijfskosten per arbeidsjaar in 2024 toe ten opzichte van 2023. De hoogste mediane bedrijfskosten per arbeidsjaar, op prijspeil 2024, zijn zichtbaar bij de sector GGZ en de laagste waarden bij de thuiszorginstellingen. 

2 Inleiding

Voor de beoordeling van de financiële resultaten van individuele zorginstellingen heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) behoefte aan vergelijkingscijfers van de gehele zorgsector en diens deelsectoren, waarmee via een zogenaamde benchmark inzicht kan worden gegeven in de relatieve prestaties.

Het ministerie van VWS heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gevraagd de vergelijkingscijfers voor de benchmark te maken op basis van de jaarrekeningen van zorginstellingen over 2024 zoals het CBS dat al eerder heeft gedaan voor de verslagjaren 2009 t/m 2023 (zie literatuur en bronnen).

Aanvullend op de vergelijkingscijfers voor 2024 t.b.v. de benchmark wordt weergegeven hoe de kengetallen resultaat gewone bedrijfsvoering, weerstandsvermogen, solvabiliteit, current ratio en omloopsnelheid kapitaal zich ontwikkelen over de periode 2020 tot en met 2024 en wordt er een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de bedrijfskosten per arbeidsjaar in de care-sector.

Voor een nadere toelichting op deze cijfers en de gebruikte methoden, zie: Onderzoeksbeschrijving Financiële kengetallen zorginstellingen.
 

3 Benchmark 2024

In dit hoofdstuk worden de kengetallen resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT), winst voor interest, belasting en afschrijving (EBITDA), rendement op geïnvesteerd vermogen, solvabiliteit en rentabiliteit voor het jaar 2024 beschreven.

De kengetallen van de thuiszorginstellingen zijn vanwege de aard van hun werkzaamheden vaker afwijkend van de waarden in andere sectoren. Doordat de zorg extramuraal wordt geleverd zijn de vaste activa veel lager dan in sectoren met intramurale zorg. Dat geldt ook voor de hotelmatige-, cliëntgebonden-, onderhoud- en energiekosten en de afschrijvingskosten. 

3.1 Populatie

In tabel 3.1.1 is een overzicht gegeven van het aantal concerns volgens de CBS-statistiek Zorginstellingen en het aantal concerns in de benchmark. In de benchmark zijn gegevens van 1.396 (concerns van) zorginstellingen beschikbaar. Dat is 72,0 procent van de totale populatie die bestaat uit 1.940 instellingen. In termen van de bedrijfsopbrengsten bedraagt de dekking van de benchmark 98,8 procent. Dat wil zeggen dat vooral kleine ondernemingen niet in de benchmark vertegenwoordigd zijn.

3.1.1 Dekking van de benchmark per sector, 2024*

Totaal aantal concernsTotaal bedrijfsopbrengsten (mln euro)Aantal concerns in benchmarkBedrijfsopbrengsten in benchmark (mln euro)
Zorgsector totaal194089142139688075
Totaal Cure (excl. GGZ-Zvw)80390668039066
Universitair medische centra712622712622
Algemene ziekenhuizen57245135724513
Categorale ziekenhuizen 161930161930
Totaal Care (incl. GGZ-Zvw)186050076131649010
Geestelijke gezondheidszorg 16587431328686
Gehandicaptenzorg 6471433646414143
Verpleging, verzorging en thuiszorg104826998
Verpleging en verzorging 35723187
Thuiszorg3632993

* Voorlopige cijfers

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

3.2 Resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT)

Het kengetal resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT) geeft aan hoe groot het resultaat voor belasting is ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. Zorginstellingen hebben traditioneel een relatief lage winstmarge.

3.2.1 Spreiding van het resultaat uit gewone bedrijfsvoering (EBT) per sector, 2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

In figuur 3.2.1 is de spreiding van het resultaat uit gewone bedrijfsvoering als percentage van de bedrijfsopbrengsten weergegeven. Opvallend is hier dat de spreiding erg uiteen loopt. Zo heeft tachtig procent van de algemene ziekenhuizen in 2024 een resultaat tussen 0,4 (1e deciel) en 3,3 procent (9e deciel) van de bedrijfsopbrengsten, waar tachtig procent van de instellingen binnen de gehandicaptenzorg een resultaat tussen de -2,6  procent en 26,0 procent behalen. 

3.3 Winst voor interest, belasting en afschrijving (EBITDA)

Het kengetal winst voor interest, belasting en afschrijving (EBITDA) geeft aan hoe groot het resultaat voor belasting minus het financieel resultaat en de afschrijvingen op vaste activa is ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. Het wordt gebruikt als maatstaf voor de winst die een onderneming maakt met de operationele activiteiten zonder dat hier de opbrengsten en kosten van financiering in verwerkt zitten.

3.3.1 Speiding van de winst voor interest, belasting en afschrijving (EBITDA) per sector, 2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

De (ongewogen) gemiddelde winst voor interest, belasting en afschrijving (EBITDA) als percentage van de bedrijfsopbrengsten in de totale zorgsector bedraagt 8,2 procent, en is in de care-sector iets hoger (8,2 procent) dan in de cure-sector (7,3 procent), zie hiervoor ook tabellen 7.1.1 en 7.1.2 uit de tabellenbijlage. De spreiding van de EBITDA is in de sectoren algemene ziekenhuizen, geestelijke gezondheidszorg en verpleging en verzorging kleiner dan in de thuiszorg en de gehandicaptenzorg (zie figuur 3.3.1).

3.4 Rendement op geïnvesteerd vermogen

Voor het kengetal rendement op geïnvesteerd vermogen wordt de operationele marge vermenigvuldigd met de omloopsnelheid van het kapitaal1). Het kengetal rendement op geïnvesteerd vermogen geeft de mate van efficiency in de bedrijfsvoering aan.

Spreiding van het rendement op geïnvesteerd vermogen per sector, 2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

*Voorlopige cijfers

Het (ongewogen) gemiddelde rendement op geïnvesteerd vermogen bedraagt 19,1 procent in de care-sector en 3,5 procent in de cure-sector (zie tabellen 7.1.3 en 7.1.4 van de tabellenbijlage). Binnen die sectoren bestaan grote verschillen in de spreiding van het rendement (zie figuur 3.4.1). Bij tachtig procent van de algemene ziekenhuizen ligt het rendement op het geïnvesteerde vermogen tussen de 1,6 en 5,3 procent. Bij tachtig procent van de instellingen binnen de care-sector ligt dit tussen de –4,1 en 51,4 procent. De spreiding is hier het grootst bij de instellingen in de gehandicaptenzorg, waar het rendement op geïnvesteerd vermogen varieert tussen de -6,1 en 89,7 procent.

3.5 Solvabiliteit

Het kengetal solvabiliteit geeft aan in welke mate een onderneming op een bepaald moment in staat is om aan de totale verplichtingen te voldoen. De solvabiliteit wordt berekend door het eigen vermogen te delen door het balanstotaal.

3.5.1 Spreiding van de solvabiliteit per sector, 2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

De solvabiliteit van de instellingen in de care-sector is hoger dan die in de cure-sector (zie tabellen 7.1.5 en 7.1.6 van de tabellenbijlage). Klaarblijkelijk hebben instellingen in de care-sector meer mogelijkheden om eigen vermogen op te bouwen en daarmee financiële risico’s op te vangen. Bij de sector GHZ heeft bijvoorbeeld tien procent van de instellingen een solvabiliteit van meer dan 83,7 procent, terwijl de grenswaarde solvabiliteit van de tien procent hoogst scorende algemene ziekenhuizen op 47,4 procent ligt. Verder heeft de care-sector een grotere spreiding in de solvabiliteit dan de algemene ziekenhuizen. Waarbij de negatieve grenswaarde voor het 1e deciel van de thuiszorginstellingen opvalt in vergelijking tot de andere sectoren, waar deze grenswaarde 1e deciel niet negatief is. En de GGZ daarnaast een relatief lage grenswaarde voor het 1e deciel laat zien met 7,0 procent.

3.6 Rentabiliteit

Het kengetal rentabiliteit geeft aan hoe groot het resultaat voor belasting is ten opzichte van het eigen vermogen. Zo geeft de rentabiliteit de verhouding aan tussen het inkomen en het vermogen waarmee dit inkomen is verdiend.

3.6.1 Spreiding van de rentabiliteit per sector, 2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

De (ongewogen) gemiddelde rentabiliteit in de care-sector is veel hoger dan in de cure-sector: 31,0 procent versus 7,7 procent (zie tabellen 7.1.5 en 7.1.6 van de tabellenbijlage). Uit figuur 3.6.1 blijkt dat de spreiding van de rentabiliteit relatief gering is bij de algemene ziekenhuizen. Grote variatie in winstgevendheid is wederom zichtbaar bij de thuiszorginstellingen, waarbij tien procent van de instellingen een winstmarge heeft die kleiner is dan -30,1 procent en tien procent een winstmarge heeft die groter is dan 140,2 procent.

1) De operationele winstmarge geeft het percentage aan dat van de omzet overblijft nadat alle kosten, exclusief belastingen, rentelasten en dividend voor preferente aandelen, zijn afgetrokken. Dit percentage geeft in feite de 'zuivere winst' aan dat op de omzet wordt geboekt. Het kengetal omloopsnelheid kapitaal is een maat voor de kapitaalsintensiteit. De omloopsnelheid kapitaal wordt berekend door de bedrijfsopbrengsten te delen door de totale activa, en geeft de verhouding tussen de omzet en het geïnvesteerd vermogen in een jaar weer.

4 Ontwikkelingen 2020-2024

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van de kengetallen resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT), weerstandsvermogen, solvabiliteit, current ratio en omloopsnelheid kapitaal over de jaren 2020 tot en met 2024 beschreven.

4.1 Populatie

De onderzoekspopulatie bestaat uit alle (concerns van) zorginstellingen waarvan de benodigde financiële gegevens zijn aangeleverd via DigiMV. In termen van de totale bedrijfsopbrengsten bedraagt de dekking van de zorginstellingen in deze analyse 98,8 procent van de totale bedrijfsopbrengsten in alle zorgsectoren.

4.1.1a Dekking van de benchmark per sector naar het aantal concerns, 2020-2024*

20202021202220232024*
Zorgsector totaal9501015109211301396
Totaal Cure (excl. GGZ-Zvw)8281828280
Universitair medische centra87777
Algemene ziekenhuizen5757585857
Categorale ziekenhuizen 1717171716
Totaal Care (incl. GGZ-Zvw)868934101010481316
Geestelijke gezondheidszorg 100113121126132
Gehandicaptenzorg 253278315304464
Verpleging, verzorging en thuiszorg
Verpleging en verzorging 325326352304357
Thuiszorg190217222314363

* Voorlopige cijfers

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

4.1.1b Dekking van de benchmark per sector per jaar naar het aandeel in de totale bedrijfsopbrengsten, 2020-2024* (%)

2020 (%)2021 (%)2022 (%)2023 (%)2024* (%)
Zorgsector totaal97,598,198,698,598,8
Totaal Cure (excl. GGZ-Zvw)99,6100100100100
Universitair medische centra100100100100100
Algemene ziekenhuizen99,3100100100100
Categorale ziekenhuizen 100100100100100
Totaal Care (incl. GGZ-Zvw)95,996,697,497,297,9
Geestelijke gezondheidszorg 99,299,199,699,399,3
Gehandicaptenzorg 96,89897,897,798,7
Verpleging, verzorging en thuiszorg94,495,296,596,397
Verpleging en verzorging
Thuiszorg

* Voorlopige cijfers

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

4.2 Resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT)

Het kengetal resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT) geeft aan hoe groot het resultaat voor belasting is ten opzichte van de bedrijfsopbrengsten. Zorginstellingen hebben traditioneel een relatief lage winstmarge.

Tabel 7.2.1 van de tabellenbijlage laat zien dat het (ongewogen) gemiddelde resultaat van de totale zorgsector van 3,6 procent in 2020 steeg naar 4,1 procent in 2021. In 2022 nam het EBT af tot 2,9 procent, waarna het in 2023 gelijk bleef en in 2024 weer steeg naar 5,7 procent. 

Het (ongewogen) gemiddelde resultaat van de care-instellingen (zie tabel 7.2.2) kent eenzelfde ontwikkeling met een EBT van 3,8 procent in 2020, een toename in 2021 naar 4,4 procent, waarna het weer daalt in 2022 naar 3,0 procent en gelijk blijft in 2023. In 2024 steeg de EBT naar 6,0 procent. Bij alle care-sectoren is de stijgende trend te zien in 2024. 

Bij de cure-instellingen schommelt het (ongewogen) gemiddelde resultaat in de jaren 2020 t/m 2023 tussen de 1,3 en 1,4 procent, om in 2024 te stijgen naar 2,1 procent. Deze stijging is terug te vinden bij de algemene en categorale ziekenhuizen. Bij de UMC’s, waar in 2023 de EBT juist steeg, is in 2024 juist een daling te zien. 
 

4.2.1 Ontwikkeling van het gemiddelde resultaat (EBT) per sector, 2020-2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

4.3 Weerstandsvermogen

In dit rapport onderscheiden we twee benaderingen voor solvabiliteit. In de zorg wordt de solvabiliteit veelal berekend door het eigen vermogen te delen door de totale bedrijfsopbrengsten. Deze maat, aangeduid met weerstandsvermogen, geeft aan of in geval van faillissement er voldoende eigen vermogen is om de leningen te kunnen aflossen. 

4.3.1 Ontwikkeling van het gemiddelde weerstandsvermogen per sector, 2020-2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

Het (ongewogen) gemiddelde weerstandsvermogen van de totale zorgsector is van 2023 naar 2024 afgenomen van 25,5 naar 25,0 procent (zie tabel 7.2.3 en 7.2.4 van de tabellenbijlage). Deze afname is voornamelijk terug te vinden bij de sectoren gehandicaptenzorg en verpleging & verzorging. Bij de sector thuiszorg is juist een toename te zien. 

Het (ongewogen) gemiddelde weerstandsvermogen voor de cure-sector blijft nagenoeg gelijk, van 27,6 procent in 2023 tot 27,7 procent in 2024. De universitair medische centra dalen in 2024 licht
 van 30,8 naar 30,6 procent. Bij de algemene ziekenhuizen en de categorale ziekenhuizen is een lichte stijging van het gemiddelde weerstandsvermogen te zien van respectievelijk 26,7 naar 26,8 procent en 29,5 naar 29,7 procent. 
 

4.4 Solvabiliteit

De tweede manier om solvabiliteit te berekenen is door het eigen vermogen te delen door het balanstotaal. Dit geeft aan in welke mate een onderneming op een bepaald moment in staat is om aan haar totale verplichtingen te voldoen. Dit is de definitie die het meest gangbaar is in de bedrijfseconomie en daarom aangeduid wordt met solvabiliteit.

4.4.1 Ontwikkeling van de gemiddelde solvabiliteit per sector, 2020-2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

De (ongewogen) gemiddelde solvabiliteit in de totale zorgsector is gestegen tussen 2023 en 2024  (zie ook tabellen 7.2.5 en 7.2.6 van de tabellenbijlage). Bij alle sectoren is een stijging zichtbaar tussen 2023 en 2024. Binnen de cure-sector loopt de solvabiliteit in 2024 uiteen van 36,3 procent bij algemene ziekenhuizen tot 40,5 procent bij de categorale ziekenhuizen. De gemiddelde solvabiliteit in de totale cure-sector is de afgelopen vijf jaar gegroeid van 33,4 procent in 2020 tot 37,2 procent in 2024. In de care-sector daalde en steeg de solvabiliteit afwisselend, met een solvabiliteit van 39,8 procent in 2020, 40,5 procent in 2021, waarna de solvabiliteit in 2022 afnam tot 37,9 procent en weer steeg tot 38,3 procent in 2023 en 40,7 procent in 2024. 

4.5 Current ratio

Het kengetal current ratio is een maat voor de liquiditeit van een onderneming. De current ratio wordt berekend door de vlottende activa te delen door de kortlopende schulden. Dit geeft aan in welke mate een onderneming op een bepaald moment in staat is om aan haar directe verplichtingen te voldoen. Een waarde boven de 100 betekent dat een onderneming de kortlopende verplichtingen kan betalen. 

4.5.1 Ontwikkeling van de gemiddelde current ratio per sector, 2020-2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

Alle sectoren hebben in 2024 een gemiddelde current ratio van ruim boven de 100 procent, bij de care-sector is de (ongewogen) gemiddelde current ratio zelfs meer dan 200 procent (zie ook tabellen 7.2.7 en 7.2.8 van de tabellenbijlage). De gemiddelde ratio binnen de care-instellingen is gestegen van 200,5 procent in 2023 naar 220,5 procent in 2024. De instellingen binnen de gehandicaptenzorg hebben in 2024 gemiddeld de hoogste current ratio, namelijk 253,0 procent. In de cure-sector neemt de current ratio licht toe ten opzichte van 2023, van 133,2 procent naar 136,9 procent in 2024. De algemene ziekenhuizen hebben gemiddeld de laagste ratio, namelijk 133,5 procent in 2024.

4.6 Omloopsnelheid kapitaal

Het kengetal omloopsnelheid kapitaal is een maat voor de kapitaalsintensiteit. De omloopsnelheid kapitaal wordt berekend door de bedrijfsopbrengsten te delen door de totale activa. Dit geeft de verhouding tussen de omzet en het geïnvesteerd vermogen in een jaar weer. Hoe hoger de omloopsnelheid kapitaal hoe lager de kapitaalsintensiteit.

4.6.1 Ontwikkeling van de gemiddelde omloopsnelheid kapitaal per sector, 2020-2024*

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

De sectoren verschillen sterk in hun (ongewogen) gemiddelde omloopsnelheid kapitaal. De cure-sector heeft een lagere omloopsnelheid dan de care-sector (137,1 procent versus 312,8 procent in 2024), omdat de cure-sector relatief veel vastgoed en apparatuur gebruikt en daardoor een hoge kapitaalsintensiteit heeft (zie ook tabellen 7.2.9 en 7.2.10 van de tabellenbijlage). De UMC’s hebben daarom ook gemiddeld de laagste omloopsnelheid kapitaal, namelijk 121,6 procent in 2024. De thuiszorginstellingen hebben in 2024 gemiddeld de hoogste omloopsnelheid kapitaal, namelijk 399,9 procent. Dit komt doordat thuiszorginstellingen een lager aandeel vastgoed hebben dan andere instellingen. De (ongewogen) gemiddelde omloopsnelheid kapitaal in de totale zorgsector nam sinds 2020 toe, van 221,6 procent in 2020, tot 302,8 procent in 2024. 

5 Bedrijfskosten en personeelsomvang van care-instellingen

In dit hoofdstuk worden de kosten van care-instellingen over de periode 2020–2024 gerelateerd aan de personeelsformatie. De personeelsformatie wordt hierbij uitgedrukt in ‘arbeidsjaren’. Een arbeidsjaar is een maat voor het arbeidsvolume dat wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) in een jaar om te rekenen naar voltijdequivalenten (vte).
De bron voor ‘arbeidsjaren’ is de Polisadministratie van de Belastingdienst en het UWV. 
Voor de kengetallen bedrijfskosten per arbeidsjaar worden de bedragen gecorrigeerd voor inflatie naar het prijspeil van 20242).

In tabel 7.3.5 van de tabellenbijlage staat een compleet beeld met kernvariabelen uit de care-sector.

5.1 Bedrijfskosten per arbeidsjaar

In tabel 7.3.1 van de tabellenbijlage is de verdeling gegeven van de totale bedrijfskosten per arbeidsjaar per verslagjaar in decielen, gecorrigeerd voor inflatie naar het prijspeil van 2024. In de opvolgende tabellen zijn de bedrijfskosten nader gespecificeerd. In tabel 7.3.2 van de tabellenbijlage zijn de arbeidskosten per arbeidsjaar weergegeven, in tabel 7.3.3 van de tabellenbijlage de overige bedrijfskosten en in tabel 7.3.4 van de tabellenbijlage de onderhouds- en energiekosten. Figuur 5.1.1 laat zien dat de hoogste mediane bedrijfskosten per arbeidsjaar, op prijspeil 2024, zichtbaar zijn bij de sector GGZ en de laagste waarden bij de thuiszorginstellingen. In alle sectoren nemen de mediane bedrijfskosten per arbeidsjaar in 2024 toe ten opzichte van 2023.

5.1.1 Ontwikkeling van de mediane bedrijfskosten per arbeidsjaar per sector, 2020-2024*

x 1000 euro

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

De spreiding van de bedrijfskosten per arbeidsjaar binnen de care-sectoren is het grootst bij thuiszorginstellingen. Bij de thuiszorginstellingen heeft tien procent minder dan 59.080 euro bedrijfskosten per arbeidsjaar in 2024. Aan de andere kant heeft ook tien procent van de thuiszorginstellingen meer dan 172.596 euro bedrijfskosten per arbeidsjaar (zie ook tabel 7.3.1 van de tabellenbijlage). Enkele thuiszorginstellingen hebben relatief weinig personeel in loondienst en relatief veel ingehuurd personeel. Hierdoor zijn de (overige) bedrijfskosten per arbeidsjaar voor deze instellingen erg hoog. Voor de sector V&V is de spreiding van de bedrijfskosten per arbeidsjaar het kleinst, daar heeft tachtig procent van de instellingen tussen de 81.528 euro en 114.831 euro bedrijfskosten per arbeidsjaar in 2024.

5.1.2 Spreiding van de bedrijfskosten per arbeidsjaar per sector, 2024*

x 1000 euro

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

* Voorlopige cijfers

6 Conclusie

Benchmarkgegevens zijn nuttig bij het beoordelen van de financiële prestaties van individuele zorginstellingen. Naast de gemiddelde waarden per sector wordt ook de spreiding weergegeven. Dit maakt het tevens mogelijk om de zorgsectoren met elkaar te vergelijken.

Voor de kengetallen resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT), weerstandsvermogen, solvabiliteit en current ratio is de ontwikkeling in de afgelopen vijf verslagjaren weergegeven. 

Het (ongewogen) gemiddelde resultaat gewone bedrijfsvoering van zorginstellingen steeg in 2024 naar 5,7 procent. Voor de verschillende sectoren was de ontwikkeling echter niet gelijk. Voor de UMC’s is een daling zichtbaar van 2,4 procent in 2023 naar 1,7 procent in 2024. Bij alle andere sectoren zijn stijgingen te zien. 

We onderscheiden twee benaderingen van de solvabiliteit van instellingen. Solvabiliteit wordt berekend door het eigen vermogen te delen door het balanstotaal. Dit neemt bij alle sectoren toe. In de zorg wordt echter meer gebruik gemaakt van het weerstandvermogen. Bij het weerstandsvermogen wordt het eigen vermogen gedeeld door de totale bedrijfsopbrengsten. Voor zowel de totale zorgsector als de totale care-sector zien we hier in 2024 een afname voor het ongewogen gemiddelde. Bij de cure-sector zien we echter een lichte toename.

Alle sectoren hebben een current ratio van ruim boven de 100 procent, waarmee zij in staat zijn om de kortlopende verplichtingen te betalen. De instellingen in de care-sector hebben gemiddeld een hogere current ratio dan de instellingen in de cure-sector. Dit geldt ook voor de omloopsnelheid kapitaal.

In alle care-sectoren nemen de mediane bedrijfskosten per arbeidsjaar in 2024 toe ten opzichte van 2023. De spreiding van de bedrijfskosten per arbeidsjaar is wederom het grootst bij thuiszorginstellingen.
 

7 Tabellenbijlage

De tabellenbijlage is als Excel bestand te vinden op de doorverwijspagina van deze publicatie en bevat onderstaande tabellen.

7.1 Tabellen bij hoofdstuk 3

Tabel 7.1.1 Grenswaarden resultaten voor de Totale zorg en de Cure-sector, 2024*

Tabel 7.1.2 Grenswaarden resultaten voor de Care-sector, 2024*

Tabel 7.1.3 Grenswaarden rendement voor de Totale zorg en de Cure-sector, 2024*

Tabel 7.1.4 Grenswaarden rendement voor de Care-sector, 2024*

Tabel 7.1.5 Grenswaarden ratio’s voor de Totale zorg en de Cure-sector, 2024*

Tabel 7.1.6 Grenswaarden ratio’s voor de Care-sector, 2024*

7.2 Tabellen bij hoofdstuk 4

Tabel 7.2.1 Grenswaarden resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT) voor de Totale zorg en de Cure-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.2 Grenswaarden resultaat gewone bedrijfsvoering (EBT) voor de Care-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.3 Grenswaarden weerstandsvermogen voor de Totale zorg en de Cure-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.4 Grenswaarden weerstandsvermogen voor de Care-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.5 Grenswaarden solvabiliteit voor de Totale zorg en de Cure-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.6 Grenswaarden solvabiliteit voor de Care-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.7 Grenswaarden current ratio voor de Totale zorg en de Cure-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.8 Grenswaarden current ratio voor de Care-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.9 Grenswaarden omloopsnelheid kapitaal voor de Totale zorg en de Cure-sector, 2020-2024*

Tabel 7.2.10 Grenswaarden omloopsnelheid kapitaal voor de Care-sector, 2020-2024*

7.3 Tabellen bij hoofdstuk 5

Tabel 7.3.1 Grenswaarden bedrijfskosten per arbeidsjaar voor de Care-sector, 2020-2024*

Tabel 7.3.2 Grenswaarden arbeidskosten per arbeidsjaar voor de Care-sector, 2020-2024*

Tabel 7.3.3 Grenswaarden overige bedrijfskosten per arbeidsjaar voor de Care-sector, 2020-2024*

Tabel 7.3.4 Grenswaarden onderhoud- en energiekosten per arbeidsjaar voor de Care-sector, 2020-2024*

Tabel 7.3.5 Kerncijfers zorginstellingen in de Care-sector, 2020-2024*

9 Begrippenlijst

Afschrijvingen op vaste activa – De waardevermindering van duurzame productiemiddelen, zoals machines, gebouwen, vervoermiddelen en software, als gevolg van normale slijtage en voorzienbare economische veroudering.

Algemene kosten – Kosten van administratie, communicatie, algemeen beheer, verzekeringen en belastingen en dergelijke.

Andere bedrijfskosten – Alle niet eerder genoemde bedrijfskosten. Exclusief personeelskosten, afschrijvingen, kosten voeding, andere hotelmatige kosten, algemene kosten, cliënt-/bewonergebonden kosten, terrein en gebouw gebonden kosten en huur/leasing van kapitaalgoederen.

Arbeidsjaar – Maat voor het arbeidsvolume die wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) in een jaar om te rekenen naar voltijdequivalenten (vte).

Cliënt- en bewonersgebonden kosten – Kosten van onderzoek, behandeling (inclusief medicijnen), verpleging, verzorging, instrumentarium en apparatuur. Exclusief personeelskosten.

Effecten – Beleggingen die op korte termijn in liquide middelen zijn om te zetten en niet bedoeld zijn als deelneming of om invloed uit te oefenen.

Eigen vermogen – Totaal activa minus vreemd vermogen.

Financieel resultaat – De financiële baten minus de financiële lasten. De baten bestaan uit rentebaten, baten uit deelnemingen, ontvangen dividenden, winst op beleggingen en overige financiële baten. De lasten omvatten de rentelasten, de kosten van leningen, het verlies op deelnemingen en het verlies op beleggingen.

Financiële vaste activa – Vaste activa die betrekking hebben op financiële kapitaalgoederen zoals deelnemingen in andere ondernemingen, beleggingen in vastgoed of effecten, hypotheken, leningen op schuldbekentenis, bancaire kredietverlening en zaken als vorderingen die op lange termijn aan derden (anders dan uit hoofde van een kapitaaldeelneming) ter beschikking zijn gesteld.

Financieringsverschil – Het financieringsverschil is het geaccumuleerde verschil tussen het wettelijk vastgestelde jaarlijkse budget voor AWBZ- en Zvw-zorg en de daarop ontvangen vergoedingen. In het geval van een negatief financieringsverschil (oftewel meer ontvangen dan volgens het budget vastgesteld) is sprake van een schuld genaamd ‘financieringsoverschot’. In het geval van een positief financieringsverschil (oftewel minder ontvangen dan volgens het budget vastgesteld) is sprake van een vordering genaamd ‘financieringstekort’.

Immateriële vaste activa – Vaste activa die betrekking hebben op niet-tastbare kapitaalgoederen zoals concessies, vergunningen, octrooien, patenten en goodwill.

Kortlopende schulden – Verplichtingen die in het komende boekjaar moeten worden nagekomen (exclusief schulden uit hoofde van bekostiging).

Kortlopende vorderingen – Vorderingen met een (resterende) looptijd van hoogstens een jaar. Exclusief financieringstekort, kortlopende effecten en liquide middelen.

Kosten uitzendkrachten en overige inleen – Betalingen voor stagiaires, uitzendkrachten en overig ingehuurd personeel. Exclusief vergoedingen (zoals de zogenaamde lumpsum) voor vrijgevestigde medische specialisten praktijk houdend in algemene en categorale ziekenhuizen.

Liquide middelen – Chartaal geld en girale en overige deposito’s.

Materiële vaste activa – Vaste activa die betrekking hebben op tastbare kapitaalgoederen zoals gebouwen, terreinen en machines.

Onderhanden werk u.h.v. DBC’s – Onderhanden werk (OHW), oftewel nog niet voltooide productie, uit hoofde van nog niet afgesloten DiagnoseBehandelCombinaties (DBC’s) en DBC-zorgproducten voor medisch specialistische zorg, GGZ en geriatrische revalidatiezorg. Ontvangen middelen die samenhangen met voorschotten of andere OHW-financiering worden op deze balanspost in mindering gebracht. Daarnaast worden te verwachten mogelijke winsten en verliezen die betrekking hebben op het OHW verrekend.

Onderhoud- en energiekosten – Energiekosten en onderhoudskosten van terreinen, gebouwen en installaties. Inclusief dotaties aan onderhoudsvoorzieningen.

Overige bedrijfskosten – Het totaal van betalingen voor stagiaires, uitzendkrachten en overig ingehuurd personeel, overige personeelskosten, kosten van voeding, andere hotelmatige kosten, algemene kosten, cliënt-/bewonergebonden kosten, terrein en gebouw gebonden kosten en niet eerder genoemde overige bedrijfskosten.

Overige personeelskosten – Kosten van werving en selectie, opleiding, kleding, kinderopvang en dergelijke voor personeel.

Resultaat voor belastingen – De som van het bedrijfsresultaat, financieel resultaat en saldo buitengewone baten/lasten.

Totaal activa – Totaal van alle bezittingen.

Totaal arbeidskosten – Totaal van de bruto lonen en salarissen van werknemers en de ten laste van de werkgevers komende sociale premies.

Totale bedrijfsopbrengsten – De opbrengsten uit de eigenlijke bedrijfsvoering, i.c. de verkopen van goederen en diensten, alsmede de waarde van voorraadmutaties, geactiveerde productie voor het eigen bedrijf, subsidies en schade-uitkeringen.

Totaal niet eerder genoemde bedrijfskosten – Overige niet eerder genoemde bedrijfskosten. Som van kosten van voeding, andere hotelmatige kosten, algemene kosten, cliënt-/bewonergebonden kosten, terrein- en gebouwgebonden kosten, huur/leasing kapitaalgoederen en andere bedrijfskosten. Exclusief financiële en buitengewone lasten.

Voeding- en hotelmatige kosten – Behalve de kosten van maaltijdverstrekkingen (voeding) zijn er andere hotelmatige kosten zoals kosten van huishouding, linnenvoorziening en vervoer van cliënten.

Voorraden – Geproduceerde activa bestaande uit goederen en diensten die zijn ontstaan in de lopende of in een eerdere periode en die worden aangehouden voor verkoop, gebruik in het productieproces of voor ander gebruik in de toekomst.

10 Afkortingen

AWBZ – Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten – Tot 2015 de wettelijke verzekering voor de kosten van langdurige zorg aan mensen met een ernstige beperking door ouderdom, een chronische ziekte, een handicap of langdurige psychische problemen. Iedereen die in Nederland woonde of werkte, was automatisch verzekerd voor deze zorg. Vanaf 2015 wordt de voormalige AWBZ-zorg gefinancierd uit andere wetten: de Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Zorgverzekeringswet (Zvw) en Jeugdwet.

CIBG – Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg. Het CIBG is een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van VWS. De organisatie startte in 1995 en is sinds 2003 een zelfstandige uitvoeringsorganisatie.

GGZ – Geestelijke gezondheidszorg (inclusief verslavingszorg) – Psychiatrische ziekenhuizen, Riagg’s, RIBW’s en geïntegreerde instellingen. Vanaf 2015 wordt uitsluitend de populatie GGZ met overnachting gevolgd.

GHZ – Gehandicaptenzorg – Dagverblijven en tehuizen.

NZa – Nederlandse Zorgautoriteit.

SBI – StandaardBedrijfsIndeling – De SBI is gebaseerd op de indeling van de Europese Unie (Nomenclature statistique des activités économiques dans la Communauté Européenne, afgekort: NACE) en op die van de Verenigde Naties (International Standard Industrial Classification of All Economic Activities, afgekort: ISIC). Deze indelingen worden ongeveer eens in de 15 jaar geactualiseerd. De structuur van de SBI bestaat uit vijf cijfers, waarbij de eerste vier cijfers, op een aantal uitzonderingen na, gelijk zijn aan de NACE. Op het niveau van de afdelingen, aangegeven door twee cijfers, komen SBI en NACE overeen met de ISIC. In dit rapport zijn de cijfers overeenkomstig SBI2008.

UMC – Universitair Medisch Centrum.

VVT – Verpleging, Verzorging en Thuiszorg – Concerns zijn ten behoeve van dit onderzoek in de sector Thuiszorg (T) geplaatst o.b.v. SBI en wanneer het zwaartepunt van de Wlz-declaraties van het concern ligt bij thuiszorg. De overige concerns zijn toegerekend aan de sector V&V.

VWS – Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

V&V – Verpleging en Verzorging.

Wlz – Wet langdurige zorg – Wettelijke verzekering voor de kosten van langdurige zorg en verblijf voor kwetsbare ouderen en mensen met een beperking. Het gaat om personen die blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig hebben. De Wlz verving per 1 januari 2015 de AWBZ.

ZKH – Ziekenhuizen; Academische, algemene en categorale ziekenhuizen en revalidatieinstellingen.

Zvw – Zorgverzekeringswet – Wet die een verplichte basisverzekering regelt voor kortdurende, op genezing gerichte zorg voor iedereen die rechtmatig in Nederland woont of hier loon- of inkomstenbelasting betaalt. Deze wet is op 1 januari 2006 in werking getreden en vervangt o.a. de Ziekenfondswet (ZFW).