Het CBS heeft in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) onderzoek gedaan naar de rentelasten van Wlz-zorginstellingen. Afgelopen jaren ontvingen Wlz- en voorheen AWBZ-zorginstellingen een gegarandeerde vergoeding voor hun kapitaallasten van zorgvastgoed via het wettelijk budget. Tot de kapitaallasten worden rentelasten, afschrijvingen en huur gerekend. Vanaf 2012 moeten zorginstellingen integrale tarieven hanteren waarbij een vergoeding is inbegrepen voor de kapitaallasten. Het is belangrijk dat de tarieven gebaseerd worden op een reële vergoeding van de rentelasten. Op basis van de overzichten van langlopende leningen uit jaarrekeningen 2024 wordt de ontwikkeling in de afgelopen vijfentwintig jaar geschetst van de werkelijke rentepercentages en rentelasten.

1 Samenvatting

Afgelopen jaren ontvingen Wlz- en voorheen AWBZ-zorginstellingen een gegarandeerde vergoeding voor hun kapitaallasten van zorgvastgoed via het wettelijk budget. Tot de kapitaallasten worden financiële lasten (waaronder rentelasten), afschrijvingen en kosten van huur en lease van kapitaalgoederen gerekend. Vanaf 2012 moeten zorginstellingen integrale tarieven hanteren waarbij een vergoeding is inbegrepen voor de kapitaallasten. In combinatie met prestatiebekostiging loopt een zorginstelling hierdoor het risico dat kapitaallasten niet volledig worden gedekt als niet 100 procent van de geplande omzet wordt gehaald. Het is belangrijk dat de tarieven gebaseerd worden op een reële vergoeding van de rentelasten. In dit rapport wordt de ontwikkeling in de afgelopen vijfentwintig jaar geschetst van de werkelijke rentepercentages en rentelasten. Verder wordt het verschil bekeken tussen de werkelijke rente en de kapitaalmarktrente.

De populatie in dit onderzoek bestaat uit zorgconcerns die als hoofdactiviteit Geestelijke Gezondheidszorg met overnachting (GGZ), Gehandicaptenzorg (GHZ) en Verpleeghuis- en Verzorgingshuiszorg (V&V) hebben en die geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden vanuit de Wlz; de Wlz-zorginstellingen. De Wlz-zorginstellingen uit de steekproef hebben gezamenlijk 39,4 miljard euro aan totale bedrijfsopbrengsten en vertegenwoordigen daarmee 85,2 procent van de totale bedrijfsopbrengsten van alle zorginstellingen met eerder genoemde hoofdactiviteiten.

De rentepercentages waarvoor Wlz-zorginstellingen langlopende leningen afsluiten verschillen sterk. De afgelopen drie jaar is de spreiding toegenomen. Voor leningen afgesloten in 2024 was de rente behorende bij de 1e decielgroep 2,62 procent en die bij de 9e decielgroep 5,16 procent.

Vanaf 2012 liggen vrijwel alle afgesloten rentepercentages voor alle sectoren boven de kapitaalmarktrente. De afstand tussen het mediane rentepercentage waarvoor Wlz-zorginstellingen leningen hebben afgesloten en de kapitaalmarktrente van de jongste tienjarige staatslening is tussen 2000 en 2008 sterk afgenomen, waarna het tussen 2008 en 2020 weer oploopt, en daarna komen de rentepercentages weer steeds meer bij elkaar in de buurt te liggen. Vanaf 2018 liggen de afgesloten rentepercentages voor alle sectoren dichtbij elkaar, en boven de kapitaalmarktrente. 

In dit onderzoek is tevens gekeken naar de invloed van de looptijd in jaren van de lening op het afgesloten rentepercentage. De mediane rente voor leningen die door Wlz-zorginstellingen zijn afgesloten verschilt per looptijd van de lening, en varieert tussen de 2,0 procent voor leningen met een looptijd van minder dan 5 jaar en 3,6 procent voor leningen met een looptijd langer dan 40 jaar.
 

2 Inleiding

Voor de beleidsontwikkeling van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is er behoefte aan inzicht in de ontwikkeling, over de afgelopen vijfentwintig jaar, van de werkelijke rentelasten van zorginstellingen die geheel of grotendeels gefinancierd worden vanuit de Wlz.

Aanleiding voor deze vraag is de afschaffing van het zogenaamde bouwregime per 1 januari 2009 en de introductie van integrale tarieven inclusief kapitaallasten per 1 januari 2012. Voor de afschrijvingskosten zijn nieuwe termijnen vastgesteld. Voor de vergoeding van de rentelasten moeten nieuwe rentepercentages worden vastgesteld. Voor 2024 wordt gerekend met een rente van 4,03 procent voor zowel de normatieve huisvestingscomponent (NHC) als voor de normatieve inventaris component (NIC)1).

Het ministerie van VWS heeft daarom het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gevraagd om tabellen en figuren samen te stellen die inzicht geven in de relatie van de door de Wlz-zorginstellingen werkelijk betaalde rente met de algemene kapitaal- en geldmarktrente. Dit rapport is een herhaling van eerdere onderzoeken, waarbij de resultaten in dit rapport zijn gebaseerd op recente jaarrekeningen van 2024. Het laatste onderzoek was op basis van de jaarrekeningen van 2023.

In dit onderzoek is de ontwikkeling van de rente van langlopende leningen bekeken over de jaren 2000–2024. Deze analyses zijn gebaseerd op de gegevens over leningen die zorgconcerns tot eind 2024 zijn aangegaan. Naast de afgesloten rentepercentages zijn ook de looptijd van de leningen en de grootte van de totale bedrijfsopbrengsten van het zorgconcern in het onderzoek meegenomen. Afzonderlijke analyses zijn uitgevoerd voor de sectoren Geestelijke Gezondheidszorg met overnachting (GGZ), Gehandicaptenzorg (GHZ) en Verpleeghuis- en Verzorgingshuiszorg (V&V).

Voor een nadere toelichting op deze cijfers en de gebruikte methoden, zie: Onderzoeksbeschrijving rente Wlz-zorginstellingen

1) NZa, Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) geestelijke gezondheidszorg, forensische zorg en langdurige zorg - BR/REG-24117.

3 Financiële kengetallen

3.1 Representativiteit uitgevoerde analyses

De analyses van hoofdstuk 3 zijn uitgevoerd op jaarrekeningen van 320 Wlz-zorginstellingen (GGZ, GHZ en V&V). Deze Wlz-zorginstellingen uit de steekproef hebben gezamenlijk 39,4 miljard euro aan totale bedrijfsopbrengsten en vertegenwoordigen 85,2 procent van de totale bedrijfsopbrengsten van alle concerns in de SBI klassen geestelijke gezondheidszorg met overnachting (GGZ), gehandicaptenzorg (GHZ) en verzorgings- en verpleeghuiszorg (V&V). In tabel 3.1.1 is zichtbaar dat voor de meeste sectoren van een voldoende groot aantal zorgconcerns leninggegevens beschikbaar zijn. Voor de GGZ, GHZ en V&V is de respons voor wat betreft het aandeel instellingen lager, maar voor wat betreft het aandeel in de totale bedrijfsopbrengsten ligt de respons tussen de 82,9 en 86,4 procent. Dit aandeel is voor de ziekenhuizen (ZKH) met 99,0 procent nog hoger. Qua aantal zorgconcerns is de dekkingsgraad bij de Thuiszorg (T) laag, maar qua aandeel in de eindstand met 33,9 procent veel hoger dan het percentage in aantal thuiszorginstellingen. Dit komt omdat kleine thuiszorginstellingen veelal geen langlopende leningen hebben. In tabel 7.1.1 van de tabellenbijlage worden de cijfers verder uitgesplitst naar grootteklasse van de totale bedrijfsopbrengsten. Op basis hiervan (tabellen 3.1.1 en 7.1.1) lijkt het goed mogelijk representatieve uitkomsten te publiceren over rentepercentages en rentelasten van Wlz-zorginstellingen.

3.1.1a Representativiteit onderzoek per sector naar aantal zorgconcerns, 2024

Leninggegevens uit jaarrekening beschikbaar (aantal)Geen leninggegevens beschikbaar (aantal)Totaal (aantal)Leninggegevens uit jaarrekening beschikbaar (%)Geen leninggegevens beschikbaar (%)Totaal (%)
ZKH7828097,52,5100
GGZ4212316525,4574,55100
GHZ8656164713,2986,71100
VV19216735953,4846,52100
T66836890,8799,13100
Totaal WLZ (excl. ZKH en T)3208511.17127,3372,67100
Totaal (incl. ZKH en T)4041.5361.94020,8279,18100

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

3.1.1b Representativiteit onderzoek per sector naar totaal bedrijfsopbrengsten, 2024

Leninggegevens uit jaarrekening beschikbaar (mln euro)Geen leninggegevens beschikbaar (mln euro)Totaal (mln euro)Leninggegevens uit jaarrekening beschikbaar (%)Geen leninggegevens beschikbaar (%)Totaal (%)
ZKH38.65640939.06598,951,05100
GGZ7.5081.2358.74385,8714,13100
GHZ11.8882.44814.33682,9217,08100
VV20.0313.16123.19286,3713,63100
T3353.4713.8068,891,2100
Totaal WLZ (excl. ZKH en T)39.4276.84446.27185,2114,79100
Totaal (incl. ZKH en T)78.41810.72489.14287,9712,03100

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

3.1.1c Representativiteit onderzoek per sector naar totaal eindstand langlopende leningen, 2024

Leninggegevens uit jaarrekening beschikbaar (mln euro)Geen leninggegevens beschikbaar (mln euro)Totaal (mln euro)Leninggegevens uit jaarrekening beschikbaar (%)Geen leninggegevens beschikbaar (%)Totaal (%)
ZKH7.9521398.09198,281,72100
GGZ1.071371.10896,663,34100
GHZ1.8631141.97794,235,77100
VV3.9581784.13695,74,3100
T377210933,9466,06100
Totaal WLZ (excl. ZKH en T)6.8923297.22195,444,56100
Totaal (incl. ZKH en T)14.88154015.42196,53,5100

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

3.2 Verdeling balans passiva naar sector

De opbouw van de schuldenlast van zorgconcerns kan sterk verschillen. Dit heeft voor een belangrijk deel te maken met het type activa (bezittingen). Een zorgconcern met veel materiële vaste activa, trekt hiervoor veelal langlopende kredieten aan. In geval van meer kortdurende verplichtingen, wordt eerder kortlopend krediet aangetrokken. Dit verschil is duidelijk te zien bij de V&V en de thuiszorg. Thuiszorgactiviteiten zijn veelal extramuraal van karakter. Dit betekent dat het aandeel materiële vaste activa (o.a. gebouwen) bij de thuiszorg naar verhouding veel lager is dan bij de V&V, die vooral intramuraal plaatsvindt. In figuur 3.2.1 is zichtbaar dat het aandeel opgenomen kortlopende leningen bij thuiszorgconcerns veel groter is dan bij de overige zorgconcerns. Bij alle sectoren is het aandeel langlopende leningen in 2024 lager dan in 2023. Het aandeel kortlopende leningen is alleen bij de sector thuiszorg afgenomen. Bij de overige sectoren (ZKH, GGZ, GHZ en V&V) is dit aandeel vrijwel gelijk gebleven.

3.2.1 Procentuele verdeling balans passiva, 2023-2024

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

3.3 Kort- en langlopende leningen naar sector

De opbouw binnen de kort- en langlopende leningen is zichtbaar in figuur 3.3.1. Voor de sectoren ZKH, GGZ, GHZ en V&V varieert het aandeel langlopende leningen in 2024 van 38,0 tot 50,8 procent. Bij de thuiszorg is het aandeel langlopende leningen kleiner, namelijk 12,0 procent. Het onderscheid tussen kort- en langlopende leningen ligt in de jaarrekening op 1 jaar. De langlopende leningen hebben een (resterende) looptijd van langer dan 1 jaar. Deze leningen, die een oorspronkelijke looptijd hebben van langer dan 1 jaar, verschuiven het laatste jaar naar de kortlopende leningen. De aflossingsverplichtingen van langlopende leningen werden tot 2020 in de jaarrekening (en DigiMV) als afzonderlijke post opgenomen onder de kortlopende leningen. Deze aflossingsverplichtingen worden door de zorgconcerns ook meegenomen in het overzicht van langlopende leningen in de jaarrekening. Vanaf verslagjaar 2020 worden zowel de aflossingsverplichtingen van langlopende leningen als de kortlopende schulden aan kredietinstellingen niet meer afzonderlijk uitgevraagd via DigiMV, maar vallen deze onder de overige kortlopende schulden.

3.3.1 Procentuele verdeling langlopende en kortlopende schulden, 2023-2024

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

3.4 Kapitaallasten naar sector

In eerdere jaren ontvingen Wlz- en voorheen AWBZ-zorginstellingen een gegarandeerde vergoeding voor hun kapitaallasten van zorgvastgoed via het wettelijk budget. Tot de kapitaallasten worden financiële lasten (waaronder rentelasten), afschrijvingen en kosten van huur en lease van kapitaalgoederen gerekend. Vanaf 2012 moeten zorginstellingen integrale tarieven hanteren waarbij een vergoeding is inbegrepen voor de kapitaallasten. In combinatie met prestatiebekostiging loopt een zorginstelling hierdoor het risico dat kapitaallasten niet volledig worden gedekt als niet 100 procent van de geplande omzet wordt gehaald. Zie tabel 3.4.1a voor een overzicht van de kapitaallasten van zorgconcerns en tabel 3.4.1b voor een overzicht van het aandeel kapitaallasten van zorgconcerns in 2024. Voor elke zorgsector bedraagt het aandeel van de financiële lasten (waarvan het merendeel rentelasten betreft) in 2024 ongeveer 0,39 tot 0,71 procent van de totale lasten. Dit is een daling ten opzichte van 2023 (0,47 tot 0,79 procent).

3.4.1a Waarde kapitaallasten zorgconcerns naar sector, 2024

Afschrijvingen (mln euro)Huur (mln euro)Financiële lasten (mln euro)Subtotaal Kapitaallasten (mln euro)Overige bedrijfslasten (mln euro)Totale bedrijfslasten inclusief financiële lasten (mln euro)
ZKH1.8862022742.36236.13038.492
GGZ243237395198.0548.573
GHZ511504551.07012.96514.035
VVT9007901511.84124.31426.155
Totaal3.5401.7335195.79281.46387.255

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

3.4.1b Aandeel kapitaallasten zorgconcerns naar sector, 2024

Afschrijvingen (%)Huur (%)Financiële lasten (%)Subtotaal Kapitaallasten (%)Overige bedrijfslasten (%)Totale bedrijfslasten inclusief financiële lasten (%)
ZKH4,90,520,716,1493,86100
GGZ2,832,760,456,0593,95100
GHZ3,643,590,397,6292,38100
VVT3,443,020,587,0492,96100
Totaal4,061,990,596,6493,36100

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek

Kijkend naar het totale aandeel kapitaallasten in de totale bedrijfskosten van zorgconcerns, komt naar voren dat het aandeel kapitaallasten bij alle sectoren ongeveer even groot is. Bij GGZ-instellingen is met 6,05 procent het aandeel kapitaallasten in de totale bedrijfskosten het laagst, bij de sector GHZ is dit aandeel met 7,62 procent het hoogst.

4 Lang krediet

In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de afgesloten rentepercentages bij de langlopende leningen voor de Wlz-zorginstellingen. In deze groep zijn de concerns met hoofdactiviteit ziekenhuiszorg en thuiszorg niet meegenomen. De rentepercentages zijn de werkelijke rentepercentages waarvoor zorgconcerns leningen hebben afgesloten. Deze zijn afkomstig uit het overzicht langlopende leningen uit de jaarrekeningen. In onderstaande figuren verwijzen de jaren naar de afsluitingsdata van de leningen (startdatum van de lening). Belangrijk daarbij op te merken is dat de figuren alleen gebaseerd zijn op leningen die zorgconcerns in 2024 in het overzicht langlopende leningen hebben beschreven. Dat zijn alle langlopende leningen inclusief de aflossingsverplichtingen van deze langlopende leningen. In de jaarrekening en DigiMV worden deze aflossingsverplichtingen van langlopende leningen onder de kortlopende leningen meegenomen.

4.1 Spreiding van rente lang krediet

De spreiding van de afgesloten rentepercentages wordt gegeven aan de hand van een set grenswaarden van de rentepercentages per jaar. Hierbij zijn de rentepercentages van de langlopende leningen van de zorginstellingen per jaar gesorteerd van laag naar hoog en vervolgens opgedeeld in 10 gelijke groepen of decielen. De grenswaarden zijn de hoogste waarden van het 1e, 2e, 8e en 9e deciel. Ter toelichting; de grenswaarde van het 8e deciel geeft de waarde aan waarbij 80 procent van de instellingen in dat jaar lager scoort en 20 procent van de instellingen hoger. Het gemiddelde betreft de ongewogen gemiddelde waarde van alle concerns in dat jaar, waarbij iedere individuele zorginstelling even zwaar meetelt. De mediaan (5e deciel) heeft als voordeel boven het gemiddelde dat deze ongevoelig is voor extreme waarden.

4.1.1 Spreiding van rente Wlz-zorgconcerns (excl. T) uit jaarrekeningen 2024

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

4.1.2 Spreiding van rente Wlz-zorgconcerns (excl. T) uit jaarrekeningen 2024

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Jaarrekeningen 2024

In figuur 4.1.2 wordt op een recenter deel van de getoonde periode van figuur 4.1.1 ingezoomd, de jaren 2009-2024. In deze bovenstaande figuren is duidelijk een grote spreiding tussen rentepercentages zichtbaar. Vanaf 2008 tot en met 2017 neemt de spreiding vrijwel ieder jaar af. In 2018 neemt de spreiding weer een jaar toe, waarna het daalt en blijft daarna, in 2020 en 2021, op een vergelijkbaar niveau. Vanaf 2022 neemt de spreiding sterk toe. Zie de laatste kolom van tabel 7.2.1 van de tabellenbijlage met cijfers over het interdeciel, d.w.z. het verschil tussen 1e en 9e deciel. Voor leningen afgesloten in 2024 was de rente behorende bij de 1e decielgroep 2,62 procent en die bij de 9e decielgroep 5,16 procent.

4.2 Kapitaalmarktrente

In figuur 4.2.1 is zichtbaar dat de kapitaalmarktrente, gemeten aan de hand van die van de jongste tienjarige staatslening, sinds 2000 met een hoge waarde van 5,41 procent gestaag is gedaald naar -0,38 procent in 2020, en vanaf 2022 weer is gestegen tot 2,65 procent in 2024. Naast de staatslening is ook het rentetarief van de 10-jaars Interest Swap Rate (IRS) gegeven. Deze tarieven liggen tot 2009 iets boven die van de 10-jarige staatslening, en van 2009 tot 2014 lopen ze nagenoeg gelijk. Vanaf 2015 tot 2023 was de IRS iets hoger dan het rentepercentage van de 10-jarige staatslening, maar in 2024 zijn ze wederom vrijwel gelijk.

4.2.1 Rente jongste tienjarige staatslening en 10-jaars IRS Euro

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, DNB, Wallich & Matthes, Zanders

4.3 Rente lang krediet naar sector

Vanaf 2012 liggen vrijwel alle afgesloten rentepercentages voor alle sectoren boven de kapitaalmarktrente. De afstand tussen het mediane rentepercentage waarvoor Wlz-zorginstellingen leningen hebben afgesloten en de kapitaalmarktrente van de jongste tienjarige staatslening is tussen 2000 en 2008 sterk afgenomen, waarna het tussen 2008 en 2020 weer oploopt, en daarna komen de rentepercentages weer steeds meer bij elkaar in de buurt te liggen. Vanaf 2018 liggen de afgesloten rentepercentages voor alle sectoren dichtbij elkaar, en boven de kapitaalmarktrente. 

4.3.1 Mediane rente uit jaarrekeningen 2024, en kapitaalmarktrente

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, DNB, Wallich & Matthes, Zanders, Jaarrekeningen 2024

4.3.2 Mediane rente uit jaarrekeningen 2024, en kapitaalmarktrente

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, DNB, Wallich & Matthes, Zanders, Jaarrekeningen 2024

Overeenkomstig de kapitaalmarktrente is het mediane rentepercentage voor Wlz-zorginstellingen gezamenlijk vanaf 2007 sterk gedaald tot 1,25 procent in 2021. Dit mediane rentepercentage is in 2023 weer gestegen tot 3,42 procent en in 2024 vrijwel gelijk gebleven op 3,49 procent, zoals ook te zien in tabel 7.2.5 van de tabellenbijlage.

4.4 Rente lang krediet naar grootteklasse totale bedrijfsopbrengsten

Ook is gekeken naar de relatie tussen de grootte van de bedrijfsopbrengsten van het zorgconcern en de rentepercentages van de afgesloten leningen. In figuren 4.4.1 en 4.4.2 is voor Wlz-zorginstellingen de mediane rente voor de jaren 2000–2024 respectievelijk de jaren 2009–2024 getoond. Hierbij zijn de concerns in vijf groepen verdeeld naar grootte van de totale bedrijfsopbrengsten.

4.4.1 Mediane rente Wlz-zorgconcerns (excl. T) uit jaarrekeningen 2024 naar grootteklasse van de totale bedrijfsopbrengsten, en kapitaalmarktrente

Bron: CBS, DNB, Wallich & Matthes, Zanders, Jaarrekeningen 2024

4.4.2 Mediane rente Wlz-zorgconcerns (excl. T) uit jaarrekeningen 2024 naar grootteklasse van de totale bedrijfsopbrengsten, en kapitaalmarktrente

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, DNB, Wallich & Matthes, Zanders, Jaarrekeningen 2024

Vanaf verslagjaar 2011 liggen de rentepercentages van de verschillende groepen, ingedeeld naar totaal bedrijfsopbrengsten, dichter bij elkaar dan in de jaren daarvoor. 

4.5 Rente lang krediet naar looptijd van de lening

De mediane rente voor leningen die door Wlz-zorginstellingen zijn afgesloten verschilt per looptijd van de lening, en varieert tussen de 2,0 procent voor leningen met een looptijd van minder dan 5 jaar en 3,6 procent voor leningen met een looptijd langer dan 40 jaar.
 
Bij de sector V&V stijgt het mediane rentepercentage mee met de lengte van de oorspronkelijke looptijd van de leningen. De sectoren GHZ en GGZ laten echter een grilliger beeld zien, waarschijnlijk omdat het aandeel van de leningen met looptijd minder dan 5 jaar in de totale restschuld voor alle sectoren heel beperkt is. 

4.5.1a Rente en restschuld GGZ eind 2024 uit jaarrekeningen 2024 naar oorspronkelijke looptijd in jaren

Uitgezonderd leningen afgesloten voor 2000

Gemiddelde ongewogen rente (%)Mediane rente (%)Restschuld eind 2024 (mln euro)Restschuld eind 2024 (%)
GGZtotaal2,752,921.089100
GGZminder dan 5 jaar2,862,8660,55
GGZ5 tot 10 jaar2,813,35201,84
GGZ10 tot 20 jaar2,392,425923,78
GGZ20 tot 30 jaar2,892,9833030,3
GGZ30 tot 40 jaar2,843,135932,97
GGZ40 jaar en meer2,993,8911110,19
GGZniet bekend3,933,9330,28

Bron: Jaarrekeningen 2024

4.5.1b Rente en restschuld GHZ eind 2024 uit jaarrekeningen 2024 naar oorspronkelijke looptijd in jaren

Uitgezonderd leningen afgesloten voor 2000

Gemiddelde ongewogen rente (%)Mediane rente (%)Restschuld eind 2024 (mln euro)Restschuld eind 2024 (%)
GHZtotaal2,722,551.963100
GHZminder dan 5 jaar1,461,4600
GHZ5 tot 10 jaar3,813,88623,16
GHZ10 tot 20 jaar2,752,4456128,58
GHZ20 tot 30 jaar2,572,360730,92
GHZ30 tot 40 jaar2,62,6460530,82
GHZ40 jaar en meer3,023,381276,47
GHZniet bekend0000

Bron: Jaarrekeningen 2024

4.5.1c Rente en restschuld V&V eind 2024 uit jaarrekeningen 2024 naar oorspronkelijke looptijd in jaren

Uitgezonderd leningen afgesloten voor 2000

Gemiddelde ongewogen rente (%)Mediane rente (%)Restschuld eind 2024 (mln euro)Restschuld eind 2024 (%)
VVtotaal2,492,613.927100
VVminder dan 5 jaar2,242190,48
VV5 tot 10 jaar2,462,11303,31
VV10 tot 20 jaar2,412,251.13328,85
VV20 tot 30 jaar2,452,71.14829,23
VV30 tot 40 jaar2,382,891.13628,93
VV40 jaar en meer3,33,653619,19
VVniet bekend0000

Bron: Jaarrekeningen 2024

4.5.1d Rente en restschuld Totaal Wlz eind 2024 uit jaarrekeningen 2024 naar oorspronkelijke looptijd in jaren

Uitgezonderd leningen afgesloten voor 2000

Gemiddelde ongewogen rente (%)Mediane rente (%)Restschuld eind 2024 (mln euro)Restschuld eind 2024 (%)
Totaal WLZ (excl. T)totaal2,62,636.979100
Totaal WLZ (excl. T)minder dan 5 jaar2,222260,37
Totaal WLZ (excl. T)5 tot 10 jaar2,932,352123,04
Totaal WLZ (excl. T)10 tot 20 jaar2,522,31.95327,98
Totaal WLZ (excl. T)20 tot 30 jaar2,542,662.08529,88
Totaal WLZ (excl. T)30 tot 40 jaar2,512,852.10030,09
Totaal WLZ (excl. T)40 jaar en meer3,183,65998,58
Totaal WLZ (excl. T)niet bekend3,933,9330,04

Bron: Jaarrekeningen 2024

4.6 Rente lang krediet naar solvabiliteit, weerstandsvermogen en rentabiliteit

Met behulp van een regressieanalyse is gekeken of er een duidelijk verband is tussen een aantal variabelen van het zorgconcern en de rentepercentages waarvoor leningen zijn afgesloten. Bij iedere analyse is per sector de determinatie-coëfficiënt (R2) en de significantie bepaald. De R2 is de determinatie-coëfficiënt en geeft het percentage verklaarde variantie weer. Een R2 van 0,149 betekent dat 14,9 procent van de variantie in de rente wordt verklaard door de onderzochte variabele. Voor de significantie geldt dat wanneer de significantie onder de 0,05 blijft, verondersteld kan worden dat de uitkomst niet door toeval is ontstaan.

Regressieanalyses zijn uitgevoerd voor de volgende verklarende variabelen: solvabiliteit, weerstandsvermogen en rentabiliteit. Voor de meeste van de hiervoor genoemde variabelen geldt dat deze vooral van invloed kunnen zijn geweest voor leningen die in de laatste jaren zijn afgesloten. De analyse is uitgevoerd op alle in 2024 afgesloten leningen. Maar ook zijn analyses uitgevoerd op alle leningen die zowel in 2023 als 2024 zijn afgesloten. De solvabiliteit is bepaald als het totaal eigen vermogen gedeeld door het balanstotaal. Het weerstandsvermogen is bepaald als het totaal eigen vermogen gedeeld door de totale bedrijfsopbrengsten. De rentabiliteit is bepaald als het bedrijfsresultaat gedeeld door de totale bedrijfsopbrengsten.
 

4.6.1a Regressie-analyse naar effect van variabelen op werkelijke rente 2024 naar sector

Aantal leningenR2Significantie
ZKHSolvabiliteit760,032NS
ZKHWeerstandsvermogen760,016NS
ZKHRentabiliteit760,149Kleiner dan 0,01
GGZSolvabiliteit120,432Kleiner dan 0,05
GGZWeerstandsvermogen120,28NS
GGZRentabiliteit120,534Kleiner dan 0,01
GHZSolvabiliteit260,02NS
GHZWeerstandsvermogen260,029NS
GHZRentabiliteit260,016NS
VVSolvabiliteit620,003NS
VVWeerstandsvermogen620,025NS
VVRentabiliteit620,065Kleiner dan 0,05

NS = Niet Significant

Bron: Jaarrekeningen 2024

4.6.1b Regressie-analyse naar effect van variabelen op werkelijke rente 2023 en 2024 naar sector

Aantal leningenR2Significantie
ZKHSolvabiliteit1450,045kleiner dan 0,01
ZKHWeerstandsvermogen1450,01NS
ZKHRentabiliteit1450,06kleiner dan 0,01
GGZSolvabiliteit220,247kleiner dan 0,05
GGZWeerstandsvermogen220,149NS
GGZRentabiliteit220,299kleiner dan 0,01
GHZSolvabiliteit480,023NS
GHZWeerstandsvermogen480,026NS
GHZRentabiliteit480,001NS
VVSolvabiliteit1050,001NS
VVWeerstandsvermogen1050,12kleiner dan 0,01
VVRentabiliteit1050,004NS

NS = Niet Significant

Bron: Jaarrekeningen 2024

Uit de resultaten van de analyse voor leningen afgesloten in 2024 volgt dat voor de sectoren ZKH en V&V de rentabiliteit een significant effect heeft op de werkelijke rente. Binnen de sector GGZ hebben de rentabiliteit en de solvabiliteit een significant effect op de werkelijke rente. Bij de sector GHZ had geen van de variabelen een significant effect. 

Uit de resultaten van de analyse voor leningen afgesloten in zowel 2023 als 2024 volgt dat voor de sectoren ZKH en GGZ zowel de solvabiliteit als de rentabiliteit een significant effect heeft op de werkelijke rente. Bij de sector V&V heeft alleen het weerstandsvermogen een significant effect op de werkelijke rente. Bij de sector GHZ had geen van de variabelen een significant effect.
 

4.7 Rentelasten lang krediet

Verschillende rentepercentages leiden bij gelijke restschulden tot verschillende rentelasten. Gekeken is naar de omvang van de rentelasten van langlopende leningen op basis van de werkelijke rente en op basis van de jongste tienjarige staatslening. Hiervoor zijn de restschulden van alle beschikbare leningen vermenigvuldigd met beide rentepercentages. In figuur 4.7.1 zijn van de beschikbare leningengegevens uit de jaarrekeningen de rentelasten zichtbaar per jaar van afsluiting. De totaalbedragen in deze figuur betreffen alleen leningen met een restschuld eind 2024 of die in 2024 zijn afgelost. De totalen zijn niet opgehoogd tot het populatietotaal uit de statistiek Zorginstellingen van het CBS. Zie daarvoor tabel 7.2.9 van de tabellenbijlage. In figuur 4.7.1 is tevens het absolute verschil weergegeven van berekende kosten op basis van de werkelijke rentepercentages uit de jaarrekeningen en op basis van de kapitaalmarktrente.

4.7.1 Rentelasten lang krediet: werkelijke rente Wlz-zorgconcerns (excl. T) uit jaarrekeningen 2024, en kapitaalmarktrente

mln euro

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, DNB, Jaarrekeningen 2024

Verschil = rentelasten jaarrekeningen 2024 -/- rentelasten kapitaalmarktrente.

Zoals ook uit de figuren van paragraaf 4.3 naar voren komt, liggen de door zorgconcerns overeengekomen rentepercentages van de leningen die eerder dan 2008 zijn afgesloten onder de kapitaalmarktrente, hier te zien aan het negatieve verschil. In de jaren na 2008 liggen de afgesloten rentepercentages echter boven de kapitaalmarktrente, waardoor het verschil positief wordt. 

De totale rentelasten op basis van werkelijke rente kennen een stijgende trend van 2000 t/m 2011, nemen daarna af, om vanaf 2020 weer te stijgen. De rentekosten berekend op basis van de kapitaalmarktrente laat een vergelijkbaar patroon zien, maar met een sterkere daling tussen 2012 en 2021, en een sterkere stijging daarna. De rentelasten uit de jaarrekeningen lagen voor de jaren 2010 tot en met 2021 hoger dan de rentelasten berekend met de kapitaalmarktrente. In 2022, 2023 en 2024 is het verschil tussen de rentelasten uit de jaarrekeningen en de rentelasten berekend met de kapitaalmarktrente een stuk kleiner dan de jaren daarvoor. 
 

4.7.2 Procentueel verschil berekende rentelasten uit jaarrekeningen 2024 naar sector

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, DNB, Jaarrekeningen 2024

Procentueel verschil = (rentelasten jaarrekeningen 2024 - rentelasten kapitaalmarktrente) / rentelasten jaarrekeningen 2024

De niet opgehoogde rentelasten van langlopende leningen op basis van de werkelijke rente uit de jaarrekeningen 2024 over de jaren 2000 tot en met 2024 zijn gelijk aan 200 miljoen euro voor Wlz-zorginstellingen. Dat is hoger dan de berekende rentelasten op basis van de kapitaalmarktrente, ter hoogte van 130 miljoen euro. In het eerste rapport op basis van jaarrekeningen 2007 lagen de totale werkelijke rentelasten nog onder de totale rentelasten op basis van kapitaalmarktrente. Zoals ook volgt uit figuur 4.7.1 zijn vanaf 2011 de werkelijke rentelasten groter dan de rentelasten op basis van kapitaalmarktrente. Dit resulteert nu in totaal hogere werkelijke rentelasten over de afgelopen 25 jaar in vergelijking tot de rentelasten op basis van de kapitaalmarktrente. Zie voor de berekende rentelasten per sector tabel 7.2.8 van de tabellenbijlage.

5 Kort krediet

5.1 Rente Euribor en normrente NZa voor kort krediet

De normrente van de NZa voor kort krediet werd tot 2018 jaarlijks vastgesteld en gebruikt voor het berekenen van de aanvaardbare rentelasten van kort krediet. De normrente bestond uit twee delen: de basisrente en een renteopslag. Met ingang van 2003 is de basisrente gelijk aan het jaargemiddelde van het Euribortarief voor 1 maand. Tot en met 2002 werd de basisrente door de NZa gebaseerd op het jaargemiddelde van de basisrente van de grote Nederlandse Handelsbanken. Van 2003 tot en met 2008 en 2011 tot en met 2017 was de renteopslag 0,75 procent. In 2009 en 2010 was de normrente met een extra opslag van 0,5 procent opgehoogd tot 1,25 procent. Dit in verband met de kredietcrisis en de door kredietverschaffers gehanteerde liquiditeitstoeslagen. Vanaf 1 januari 2018 berekent de NZa geen normrente meer voor kort krediet. Vanaf deze datum gelden integrale tarieven. Er vindt geen nacalculatie plaats op basis van werkelijke kapitaallasten.

5.1.1 Rente Euribor en normrente van de NZa voor kort krediet

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, DNB, NZa

Opslag = Normrente Kort Krediet -/- Eenmaands Euribor.

In figuur 5.1.1 is bij vrijwel alle rentevoeten zichtbaar dat deze in 2011 voor één jaar zijn toegenomen, maar daarna verder dalen. De Euribor rentes zijn in de periode vanaf 2015 tot en met 2021 negatief. Vanaf 2022 stijgen alle Euribor rentes weer, tot meer dan 3 procent in 2023 en 2024.

5.2 Rente Euribor, jongste 10-jarige staatslening en 10-jaars IRS Euro

5.2.1 Rente Euribor (tot 1999 Aibor) Eenmaands, jongste tienjarige staatslening en 10-jaars IRS Euro

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, DNB, Wallich & Matthes, Zanders

Uit figuur 5.2.1 blijkt dat de kortetermijnrente voor bijna alle jaren lager ligt dan de lange termijnrente. Vanaf 2023 ligt de kortetermijnrente echter boven de lange termijnrente.

6 Conclusie

In dit rapport is op basis van de overzichten van langlopende leningen uit een representatieve steekproef van jaarrekeningen over 2024 de ontwikkeling in de afgelopen vijfentwintig jaar geschetst van de werkelijke rentepercentages en rentelasten.

De populatie in dit onderzoek bestaat uit zorgconcerns die als hoofdactiviteit Geestelijke Gezondheidszorg met overnachting (GGZ), Gehandicaptenzorg (GHZ) en Verpleeghuis- en Verzorgingshuiszorg (V&V) hebben en die geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden vanuit de Wlz; de Wlz-zorginstellingen. De Wlz-zorginstellingen uit de steekproef hebben gezamenlijk 39,4 miljard euro aan totale bedrijfsopbrengsten en vertegenwoordigen 85,2 procent van de totale bedrijfsopbrengsten van alle zorginstellingen met eerder genoemde hoofdactiviteit.

De rentepercentages waarvoor Wlz-zorginstellingen langlopende leningen afsluiten verschillen sterk. De afgelopen drie jaar is de spreiding toegenomen. Voor leningen afgesloten in 2024 was de rente behorende bij de 1e decielgroep 2,62 procent en die bij de 9e decielgroep 5,16 procent.

Vanaf 2012 liggen vrijwel alle afgesloten rentepercentages voor alle sectoren boven de kapitaalmarktrente. De afstand tussen het mediane rentepercentage waarvoor Wlz-zorginstellingen leningen hebben afgesloten en de kapitaalmarktrente van de jongste tienjarige staatslening is tussen 2000 en 2008 sterk afgenomen, waarna het tussen 2008 en 2020 weer oploopt, en daarna komen de rentepercentages weer steeds meer bij elkaar in de buurt te liggen. Vanaf 2018 liggen de afgesloten rentepercentages voor alle sectoren dichtbij elkaar, en boven de kapitaalmarktrente. 

In dit onderzoek is tevens gekeken naar de invloed van de looptijd in jaren van de lening op het afgesloten rentepercentage. De mediane rente voor leningen die door Wlz-zorginstellingen zijn afgesloten verschilt per looptijd van de lening, en varieert tussen de 2,0 procent voor leningen met een looptijd van minder dan 5 jaar en 3,6 procent voor leningen met een looptijd langer dan 40 jaar.

Bij de sector V&V stijgt het mediane rentepercentage mee met de lengte van de oorspronkelijke looptijd van de leningen. De sectoren GHZ en GGZ laten echter een grilliger beeld zien, waarschijnlijk omdat het aandeel van de leningen met looptijd minder dan 5 jaar in de totale restschuld voor alle sectoren heel beperkt is.

De niet opgehoogde rentelasten van langlopende leningen op basis van de werkelijke rente uit de jaarrekeningen 2024 over de jaren 2000 tot en met 2024 zijn gelijk aan 200 miljoen euro voor Wlz-zorginstellingen. Dat is hoger dan de berekende rentelasten op basis van de kapitaalmarktrente, ter hoogte van 130 miljoen euro. In het eerste rapport op basis van jaarrekeningen 2007 lagen de totale werkelijke rentelasten nog onder de totale rentelasten op basis van kapitaalmarktrente.

7 Tabellenbijlage

De tabellenbijlage is als Excel bestand te vinden op de doorverwijspagina van deze publicatie en bevat onderstaande tabellen.

7.1 Tabellen bij hoofdstuk 3

Tabel 7.1.1 Representativiteit onderzoek naar sector en grootteklasse van totale bedrijfsopbrengsten, 2024

Tabel 7.1.2 Opbouw totaal balans passiva naar sector, 2023-2024*

Tabel 7.1.3 Opbouw kort- en langlopende schulden naar sector, 2023-2024*

7.2 Tabellen bij hoofdstuk 4

Tabel 7.2.1 Spreiding van rente Wlz-zorgconcerns (excl. T) uit jaarrekeningen 2024

Tabel 7.2.2 Rente korte en middellange kapitaalmarkt, jongste tienjarige staatslening en 10-jaars IRS Euro

Tabel 7.2.3 Gemiddelde (ongewogen) rente uit jaarrekeningen 2024 naar sector, en kapitaalmarktrente

Tabel 7.2.4 Gemiddelde (gewogen) rente uit jaarrekeningen 2024 naar sector, en kapitaalmarktrente

Tabel 7.2.5 Mediane rente uit jaarrekeningen 2024 naar sector, en kapitaalmarktrente

Tabel 7.2.6 Gemiddelde (ongewogen) rente Wlz-concerns (excl. T) uit jaarrekeningen 2024 naar grootteklasse van de totale bedrijfsopbrengsten, en kapitaalmarktrente

Tabel 7.2.7 Mediane rente Wlz-concerns (excl. T) uit jaarrekeningen 2024 naar grootteklasse van de totale bedrijfsopbrengsten, en kapitaalmarktrente

Tabel 7.2.8 Rentelasten uit jaarrekeningen 2024 naar sector, en kapitaalmarktrente

Tabel 7.2.9 Afleiding rentelasten voor totale populatie op basis van detailinformatie leningen uit jaarrekeningen 2024 naar sector

7.3 Tabellen bij hoofdstuk 5

Tabel 7.3.1 Vergelijking Euribor en normrente van de Nza voor kort krediet

Tabel 7.3.2 Vergelijking Euribor, jongste tienjarige staatslening en 10-jaars IRS Euro

9 Begrippenlijst

Aflossingsverplichtingen langlopende leningen – Totaal leningen met oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar, en een resterende looptijd van minder dan één jaar. Afschrijvingen – De waardevermindering van duurzame productiemiddelen, zoals machines, gebouwen, vervoermiddelen en software, als gevolg van normale slijtage en voorzienbare economische veroudering.

Aibor – Voorloper van Euribor. Aibor was tot 1 januari 1999 de rente waartegen een aantal banken elkaar afrekenden.

Crediteuren – Openstaande rekeningen voor geleverde producten of diensten die nog betaald moeten worden door de zorginstelling.

Euribor – Euro Interbank Offered Rate – Euribor is het rentetarief waartegen een groot aantal Europese banken elkaar leningen in euro’s verstrekt. Binnen Euribor zijn er diverse rentetarieven, met verschillende looptijd; o.a. eenmaands, driemaands, twaalfmaands.

Financiële lasten – Rentelasten, de kosten van leningen, het verlies op deelnemingen en het verlies op beleggingen.

Financieringsverschil – Het financieringsverschil is het geaccumuleerde verschil tussen het wettelijk vastgestelde jaarlijkse budget voor AWBZ- en Zvw-zorg en de daarop ontvangen vergoedingen. In het geval van een negatief financieringsverschil (oftewel meer ontvangen dan volgens het budget vastgesteld) is sprake van een schuld genaamd ‘financieringsoverschot’. In het geval van een positief financieringsverschil (oftewel minder ontvangen dan volgens het budget vastgesteld) is sprake van een vordering genaamd ‘financieringstekort’.

Geldmarktrente – Rente op leningen/beleggingen met een relatief korte looptijd (1 tot 12 maanden).

Honorariumplafond – Schulden uit hoofde van honorariumplafond. Voor de niet in loondienst werkzame medisch specialisten is m.i.v. 1 januari 2012 per ziekenhuis een zogenaamd honorariumplafond van kracht. Dit plafond stelt een maximum aan de door de vrijgevestigde medisch specialisten te ontvangen honoraria. Een eventuele overschrijding van dit plafond dient het ziekenhuis in te houden op de doorbetalingen aan de vrijgevestigde medisch specialisten en deze overmaat op beschikking van de NZa af te dragen aan het Zorgverzekeringsfonds.

Jongste tienjarige staatslening – Volledige naam is ‘kapitaalmarktrente van de jongste 10-jarige staatslening’. Dit is de gemiddelde kapitaalmarktrentevoet, afgemeten aan het rendement op de jongste tienjarige staatslening.

Kapitaalmarkt – Onder de kapitaalmarkt wordt de markt verstaan waarop waardepapieren verhandeld worden met een looptijd van meer dan 1 jaar.

Kapitaalmarktrente – Lange rente.

Kapitaallasten – Som van de afschrijvingen, kosten van huur en lease van kapitaalgoederen en financiële lasten.

Kortlopende schulden – Verplichtingen die in het komende boekjaar moeten worden nagekomen (exclusief schulden uit hoofde van bekostiging).

Kortlopende schulden aan kredietinstellingen – Verplichtingen bij kredietinstellingen. Een kredietinstelling is een bedrijf met rechtspersoonlijkheid dat zich hoofdzakelijk bezig houdt met financiële bemiddeling, dat wil zeggen het aantrekken, omzetten en uitzetten van financiële middelen.

Langlopende schulden – Verplichtingen die voor een periode langer dan een jaar zijn aangegaan en waarvan de omvang vaststaat.

Macrobeheersinstrument – Schulden uit hoofde van macrobeheersinstrument. Het macrobeheersinstrument wordt door de minister van VWS ingezet om overschrijdingen van het macrokader zorg terug te vorderen bij instellingen voor medisch specialistische zorg.

Nominale rente – De marktrente, die wordt gevormd door de reële rente en het verdisconteerde inflatiepercentage.

Normrente – Door de NZa vergoede rente aan zorginstellingen.

Overige bedrijfslasten – Totale bedrijfslasten inclusief financiële lasten, exclusief afschrijvingen en huur/lease kapitaalgoederen.

Reële rente – Rente gecorrigeerd voor de inflatie. (Reële rente = Nominale rente -/- inflatie).

Schulden uit hoofde van bekostiging – Schulden uit hoofde van financieringsoverschot, transitieregeling medisch specialistische zorg, honorariumplafond en macrobeheersinstrument.

Totale bedrijfsopbrengsten – De opbrengsten uit de eigenlijke bedrijfsvoering, i.c. de verkopen van goederen en diensten, alsmede de waarde van voorraadmutaties, geactiveerde productie voor het eigen bedrijf, subsidies en schade-uitkeringen.

Totale bedrijfskosten – De kosten die zijn gemaakt om de bedrijfsopbrengsten te realiseren, te weten de inkoopwaarde van de omzet, de arbeidskosten, de afschrijvingen op vaste activa en de zogenaamde overige bedrijfskosten.

Transitieregeling medisch specialistische zorg – De schulden uit hoofde van de transitieregeling medisch specialistische zorg betreft het verschil tussen de gerealiseerde omzet uit prestatiebekostiging en de omzet die behaald zou zijn onder de oude bekostigingssystematiek.

Voorzieningen – Onderdeel van het vreemd vermogen waarvan de omvang of het moment van afwikkeling onzeker is, bijvoorbeeld reorganisatievoorzieningen.

Werkelijke rente – De rente die zorginstellingen werkelijk hebben betaald. Dit in tegenstelling tot de normrente.

10 Afkortingen

ABR – Algemeen Bedrijven Register van het CBS, gebaseerd op het Handelsregister van de KvK.

AWBZ – Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten – Tot 2015 de wettelijke verzekering voor de kosten van langdurige zorg aan mensen met een ernstige beperking door ouderdom, een chronische ziekte, een handicap of langdurige psychische problemen. Iedereen die in Nederland woonde of werkte, was automatisch verzekerd voor deze zorg. Vanaf 2015 wordt de voormalige AWBZ-zorg gefinancierd uit andere wetten: de Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), Zorgverzekeringswet (Zvw) en Jeugdwet.

CIBG – Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg. Het CIBG is een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van VWS. De organisatie startte in 1995 en is sinds 2003 een zelfstandige uitvoeringsorganisatie.

DNB – De Nederlandsche Bank.

GGZ – Geestelijke gezondheidszorg (inclusief verslavingszorg) – Psychiatrische ziekenhuizen, Riagg’s, RIBW’s en geïntegreerde instellingen. Vanaf 2015 wordt uitsluitend de populatie GGZ met overnachting gevolgd.

GHZ – Gehandicaptenzorg – Dagverblijven en tehuizen.

NZa – Nederlandse Zorgautoriteit.

SBI – StandaardBedrijfsIndeling – De SBI is gebaseerd op de indeling van de Europese Unie (Nomenclature statistique des activités économiques dans la Communauté Européenne, afgekort: NACE) en op die van de Verenigde Naties (International Standard Industrial Classification of All Economic Activities, afgekort: ISIC). Deze indelingen worden ongeveer eens in de 15 jaar geactualiseerd. De structuur van de SBI bestaat uit vijf cijfers, waarbij de eerste vier cijfers, op een aantal uitzonderingen na, gelijk zijn aan de NACE. Op het niveau van de afdelingen, aangegeven door twee cijfers, komen SBI en NACE overeen met de ISIC. In dit rapport zijn de cijfers overeenkomstig SBI2008.

UMC – Universitair Medisch Centrum.

VVT – Verpleging, Verzorging en Thuiszorg – Concerns zijn ten behoeve van dit onderzoek in de sector Thuiszorg (T) geplaatst o.b.v. SBI en wanneer het zwaartepunt van de Wlz-declaraties van het concern ligt bij thuiszorg. De overige concerns zijn toegerekend aan de sector V&V.

VWS – Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

V&V – Verpleging en Verzorging.

Wlz – Wet langdurige zorg – Wettelijke verzekering voor de kosten van langdurige zorg en verblijf voor kwetsbare ouderen en mensen met een beperking. Het gaat om personen die blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig hebben. De Wlz verving per 1 januari 2015 de AWBZ.

ZKH – Ziekenhuizen; Academische, algemene en categorale ziekenhuizen en revalidatieinstellingen.

Zvw – Zorgverzekeringswet – Wet die een verplichte basisverzekering regelt voor kortdurende, op genezing gerichte zorg voor iedereen die rechtmatig in Nederland woont of hier loon- of inkomstenbelasting betaalt. Deze wet is op 1 januari 2006 in werking getreden en vervangt o.a. de Ziekenfondswet (ZFW).